Gastcollege ArtEZ

Op 18 oktober geef ik een gastcollege aan de studenten van ArtEZ hogeschool voor de kunsten. Inleiding in muziekindustrie en platencontracten, nieuwe ontwikkelingen en voorbeelden uit de praktijk. Erg leuk om te doen.

Deelname Idols en auteurscontractenrecht

Idols_logo

Bij deelname aan Idols of andere talentenshows die op televisie worden uitgezonden, bestaat het risico dat de deelnemer niet echt blij is met zijn eigen prestatie, die helaas wel wordt uitgezonden. De Voorzieningenrechter in Amsterdam heeft op 22 maart 2016 een vonnis gewezen in een kort geding waarmee een deelnemer uitzending probeerde te voorkomen. Echter, er was een overeenkomst getekend waarin duidelijk is bepaald dat RTL het recht heeft om te beslissen over uitzending van de opnamen. De kandidaat had nog gesteld dat de beelden van hem bewust zo negatief mogelijk in het programma zijn verwerkt. Bedrog of misbruik van omstandigheden levert dit juridisch niet op. Ook is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de deelnemer wordt gehouden aan het contract waarin hij toestemming voor het gebruik van de beelden heeft gegeven, ook al heeft hij de voorwaarden niet uitgebreid kunnen bestuderen of advies kunnen inwinnen daarover.

Wat mij opvalt is dat geen beroep is gedaan op de Wet Auteurscontractenrecht die sinds 1 juli 2015 van kracht is. Op grond van artikel 2b van de Wet op de Naburige Rechten, is Hoofdstuk 1A van de Auteurswet van overeenkomstige toepassing voor de uitvoerende kunstenaar, en dat is de deelnemer aan de Idols. Artikel 25 f lid 2 Aw bepaalt dat een beding dat, gelet op de inhoud van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval vernietigbaar is wanneer het beding voor de maker onredelijk bezwarend is. Dat is een aanzienlijk lichtere toets. Kennelijk is er geen beroep gedaan op het Auteurscontractenrecht, terwijl dat juist bedoeld is om de zwakkere partij te beschermen. De rechter heeft niet ambtshalve de rechtsgronden aangevuld en naar deze wettelijke regeling gekeken bij de beoordeling van de zaak. Mogelijk dat in hoger beroep dit nog aan de orde zal komen.

Auteurscontractenrecht in de muziekindustrie

wetten images

Op 1 juli 2015 is de Wet Auteurscontractenrecht in werking getreden. Welke gevolgen heeft deze wet voor artiestenovereenkomsten?

 

De wet geeft een aantal dwingendrechtelijke bepalingen waaraan moet worden voldaan wanneer een contract wordt gesloten over de exploitatie van auteursrechten en naburige rechten. Deze wettelijke regeling is van toepassing op artiestenovereenkomsten. Daarin worden namelijk afspraken gemaakt over het maken van geluidsopnamen en de exploitatie daarvan, waarbij de rechten op de opname in handen komen van de platenmaatschappij. Veelal wordt gelijktijdig een muziekuitgaveovereenkomst afgesloten die ziet op overdracht van de auteursrechten van de op te nemen muziekwerken.

 

De Wet Auteurscontractenrecht geeft de volgende regelingen voor de contracten tussen artiest en platenmaatschappij/muziekuitgeverij:

– betaling van een redelijke vergoeding

– teruggave van rechten wanneer de overgedragen rechten niet worden geëxploiteerd

– vernietiging van onredelijk bezwarende bepalingen in de overeenkomsten

 

Over de vraag wat een redelijke vergoeding is, en hoe die moet worden vastgesteld is al het nodige geschreven. Er zal collectief worden onderhandeld. Het probleem is dat het hier normaliter om royalty vergoedingen gaat, waarbij in de praktijk (zeer) verschillende grondslagen worden gebruikt. Het maakt nogal wat uit of een vergoeding van 8% wordt berekend over de PPD, de prijs zoals die door de platenmaatschappij wordt gepubliceerd aan de groothandel voor bijvoorbeeld CDs, of over de door de platenmaatschapij netto ontvangen prijs die daadwerkelijk is betaald voor diezelfde CD na aftrek van kortingen. Niet alleen de afrekenbasis varieert, maar ook het toepasselijke royalty percentage, omdat in artiestenovereenkomsten vaak diverse kortingen van toepassing zijn voor verpakkingskosten, marketing campagnes, exploitatie in het buitenland, enzovoorts. Het is afwachten welke vergoedingen als redelijk zullen worden beschouwd, en hoe dit in te passen in bestaande en nieuwe contracten.

 

Het komt nogal eens voor dat een platenmaatschappij of muziekuitgeverij niet daadwerkelijk tot exploitatie overgaat. Voorbeelden daarvan zijn recent terug te vinden in diverse uitspraken over ontbinding van muziekuitgaveovereenkomsten. De wettelijke ondergrens is erg laag en zal mijns inziens moeilijk kunnen verhinderen dat een maatschappij een “technische release” doet, dus de opnamen wel uitbrengt maar deze nauwelijks ondersteunt met promotie en marketing activiteiten, waardoor de kans op succes minimaal te noemen is.

 

Een interessante bepaling voor de muziekpraktijk, waarover nog niet veel is geschreven, is de mogelijkheid om op te komen tegen onredelijk bezwarende bedingen in overeenkomsten. In de praktijk staan er soms vergaande en zonder meer als onredelijk te bestempelen bepalingen in contracten. Dat wordt wellicht veroorzaakt door de take-it-or-leave-it situatie waarmee artiesten zich geconfronteerd zien. Er is vaak nauwelijks ruimte voor onderhandeling, met uitzondering voor een kleine groep bekende artiesten met een bewezen track record.

 

Hieronder geef ik een aantal voorbeelden van regelingen die veel voorkomen in bestaande contracten, en die op gespannen voet staan met de Wet Auteurscontractenrecht.

 

Vaak vermelden de contracten voor de platenmaatschappij als enige concrete verplichting het verstrekken van periodieke afrekeningen (royalty statements in het jargon) en het betalen van royalties. Zoals hierboven al vermeld, zijn in die contracten vaak regeling opgenomen waarbij allerlei kortingen van toepassing zijn op het royalty percentage. De regelingen beperken de royalty vaak zeer fors, zonder dat daar enige objectief gerechtvaardigde reden voor is. “Verpakkingsaftrek” van 20% bijvoorbeeld. Waarom zou de artiest moeten betalen voor de verpakking van de CDs die door de maatschappij worden gemaakt en verkocht? Daarbij komt dat de werkelijke kosten doorgaans (veel) minder zijn dat 20%. Halvering van de royalty voor verkopen in het buitenland. Hoezo ? Contracten uit de jaren-70 bevatten soms zelfs de bepaling dat 10 jaar na de eerste release geen royalties meer verschuldigd zijn aan de artiest. Het lijkt mij bepaald niet ondenkbaar dat een vergoedingsregeling als onredelijk bezwarend wordt beoordeeld wanneer het op zichzelf redelijke royalty percentage vergaand wordt beknot.

 

Wat te denken bijvoorbeeld van de bepaling waarmee voor 15 jaar titelexclusiviteit wordt verleend, dat wil zeggen dat de artiest de nummers die zijn opgenomen voor de platenmaatschappij niet opnieuw mag (laten) opnemen. Dat betekent per saldo dat na het einde van het platencontract de artiest niet een live-opname kan uitbrengen van het repertoire dat door de platenmaatschappij is uitgebracht. In Nederland is hier geen jurisprudentie over (althans die is mij niet bekend) maar de Engelse rechter heeft dergelijke clausule als “unenforceable” (niet afdwingbaar) beoordeeld indien de titel-exclusiviteit voor langer dan 5 jaar wordt verleend.

 

Nog een voorbeeld betreft de bepaling dat leden van bands niet vrij zijn om met derden te contracteren, maar eerst met de platenmaatschappij dienen te onderhandelen over een nieuwe overeenkomst (right of first refusal, veelal gekoppeld aan een matching right). Per saldo betekent die dat een lid van een band niet in meerdere groepen tegelijk kan spelen, behalve wanneer toevallig met dezelfde maatschappij wordt gecontracteerd. Het komt veelvuldig voor dat muzikanten in diverse bands spelen, omdat ze anders niet kunnen rondkomen.

 

Nog een: een beding waarbij de artiest optierechten verleent om de overeenkomst te verlengen voor een tweede, derde, vierde en soms zelfs een vijfde album. Dit betekent voor de meeste artiesten dat ze tekenen voor hun hele carrière zonder de mogelijkheid om te heronderhandelen. De platenmaatschappij zal geen opties opnemen wanneer er geen of te weinig succes wordt behaald. Worden de opties wel opgenomen, en is er dus een bepaalde mate van succes, dan ontbreekt voor de artiest de mogelijkheid om betere condities te onderhandelen dan wat aanvankelijk was overeengekomen. Dat gaat niet alleen over financiële aspecten van de samenwerking, maar ook over artistieke kwesties, zoals de keuze van het repertoire dat wordt uitgebracht, de omvang van de ondersteuning met promotie en marketing, enzovoorts.

 

Wat te denken van de bepaling dat de artiest die ook componist is de auteursrechten op zijn werk moet onder brengen bij een aan de platenmaatschappij gelieerde muziekuitgeverij? Een dergelijke gelieerde uitgeverij zal over het algemeen niet zelfstandig tot exploitatie van de muziekwerken overgaan, maar leunt op de inspanningen van de platenmaatschappij die de kosten van marketing en promotie draagt. De uitgeverij houdt zich meestal vooral bezig met het voeren van de administratie, het claimen van vergoedingen bij de collecting societies en het incasseren van geld. Door de auteursrechten over te dragen aan de muziekuitgeverij staat de artiest/componist 1/3 gedeelte (in het buitenland meestal 50%) van de vergoeding die Buma Stemra uitkeert af, zonder dat daar extra exploitatie van zijn werk tegenover staat. Een muziekuitgeverij is in veel gevallen enkel een administratiekantoor en exploiteert niet zelfstandig de auteursrechten. Dat staat op gespannen voet met de non-usus bepaling. De praktijk zal moeten uitwijzen of een dergelijk gebrek aan exploitatie door de muziekuitgeverij reden kan zijn om de auteursrechten op te eisen. Dat lijkt mij niet bij voorbaat kansloos. Een clausule waarbij de artiest wordt gedwongen om zijn composities bij de aan de platenmaatschappij gelieerde muziekuitgever onder te brengen, lijkt mij onredelijk bezwarend indien daar verder niets tegenover staat.

 

Een glazen bol heb ik niet, en het blijft dus de vraag hoe in de praktijk over dergelijke gevallen zal worden geoordeeld. In de praktijk is rechtspraak schaars en het kan daarom nog jaren duren voordat we wat meer duidelijkheid hebben over de concrete toepassing van de wet. De bovenstaande voorbeelden geven aan dat op diverse terreinen mogelijk ingrijpen van de rechter niet is uit te sluiten.

 

Voor de praktijk is het belangrijk om bestaande contracten te beoordelen op mogelijk onredelijk bezwarende clausules. Met de artiest kunnen zo nodig andere afspraken worden gemaakt. Dat lijkt een beter scenario dan vernietiging van de betreffende clausules met terugwerkende kracht.

 

Bij het afsluiten van nieuwe contracten lijkt het mij verstandig om niet langer voort te bouwen op de uit Amerika en Engeland overgewaaide contractmodellen uit het verleden. Die contracten, veelal afkomstig van de daar gevestigde hoofdkantoren van de major platenmaatschappijen. Deze contracten hebben doorgaans een eenzijdig karakter, waarbij alleen de rechten van de maatschappij en de verplichtingen van de artiest zijn opgenomen. Het is nog maar zeer de vraag of deze contracten de toets van de Wet Auteurscontractenrecht kunnen doorstaan.

 

 

 

 

Ontbinding publishing overeenkomst

Volumia

De zaak tussen Sander de Buisonjé en zijn uitgeverij (Rb Midden Nederland 29 juli 2015 ECLI:NL:RBMNE:2015:5442) is de zoveelste zaak waarin wordt geoordeeld dat de muziekuitgaveovereenkomst terecht is ontbonden. Steevast is de reden voor ontbinding dat de uitgeverij geen uitvoering heeft gegeven aan de verplichtingen uit de overeenkomst. Nu is het zo dat over het algemeen vrijwel geen verplichtingen worden opgenomen in publishing overeenkomsten zoals die in de muziekindustrie veel worden gebruikt. Ook al staat het er niet expliciet, toch is de uitgever verplicht om activiteiten te ontwikkelen tot exploitatie van de overgedragen muziekwerken.

 

Uit de gepubliceerde zaken blijkt dat de uitgeverijen zich soms niet of nauwelijks actief bezig zijn met de exploitatie, en zich kennelijk vooral concentreren op het incasseren. Op zichzelf is het een behoorlijke klus om bij alle collecting societies in de wereld de werken aan te melden, en er op toe te zien dat ook daadwerkelijk wordt afgerekend. Veelal werken muziekuitgevers in een netwerk met sub-uitgeverijen die deze administratieve werkzaamheden in het buitenland uitvoeren. Enkel deze administratieve zaken uitvoeren is onvoldoende, zo is de lijn in de jurisprudentie. Een uitgever zal zich actief moeten inspannen om het werk te exploiteren. Ook in deze zaak kon de uitgeverij dat onvoldoende aantonen. Daar komt nog bij dat bepaalde zogenaamde sync deals, waarbij toestemming wordt gegeven voor de koppeling van een muziekwerk met beeldmateriaal (bijvoorbeeld voor een commercial) niet waren afgerekend. Niet correct afrekenen is funest voor het vertrouwen. Dat maakte de zaak natuurlijk niet beter voor de uitgeverij.

Geruzie over Ventoux3

ECLI-NL-RBDHA-2015-9150 Ventoux3

Stichting Ventoux3 heeft in samenwerking met Stichting Stop Hersentumoren (“SSH”) een wielerevenement georganiseerd waarbij deelnemers de Mount Ventoux beklimmen vanuit drie verschillende startplaatsen. SSH heeft de domeinnaam ventoux3.nl geregistreerd. Er is verschil van inzicht ontstaan tussen de besturen van de Stichtingen. Ventoux3 wil meer zelfstandigheid, terwijl SSH meent dat zij leiding en toezicht heeft op Ventoux3.

 

Het geschil escaleert dan in rap tempo. Ventoux3 heeft wenst de domeinnaam op haar naam te stellen, maar SSH weigert. Ventoux3 doet een aanvraag voor inschrijving van het beeldmerk, namelijk het logo “Ventoux3 – a ride for hope”. SHH doet de volgende dag een spoedinschrijving voor het woordmerk Ventoux3 en RideForHope en grijpt vervolgens naar een van de zwaarste juridische middelen: een ex parte verzoek aan de Voorzieningenrechter tot staking binnen 24 uur van de inbreuk op de merken Ventoux3 en RideForHope op straffe van een dwangsom.

 

De voorzieningenrechter verleent de ex parte beschikking en overweegt het voldoende aannemelijk te vinden dat SHH voor-voorgebruiker is van de merken. De beschikking wordt betekend en vervolgens claimt SSH dwangsommen. Verder maakt SSH de toegang tot de website Ventoux3 onmogelijk. SHH doet er nog een schepje bovenop en gaat met modder gooien op social media om de deelnemers aan haar kant te krijgen. Gezellig dat samen sporten.
Ventoux3 begint een kort geding en vordert (samengevat) rectificatie naar de deelnemers, overdracht van de domeinnaam, afdracht van deelnemersgelden, staking van de executie van de ex parte beschiking. Zij voert daartoe aan dat het ex parte verzoek op onjuiste gronden is verleend omdat onvolledige informatie is verstrekt aan de rechter. SHH stelt een tegeneis in (o.a. over het auteursrecht op het logo), die ik hier niet verder zal behandelen.

 

De vraag is wie voorafgaand aan de merkdepots het merk al in gebruik heeft gehad. SHH meent dat het merkdepot van het logo “Ventoux3 – a ride for hope” te kwader trouw is gedaan omdat zij voorgebruiker is van Ventoux3 en al jaren “a ride for hope” gebruikt.

De rechter overweegt dat de situatie rond het merk complex is en dat er mogelijk gezamenlijk voorgebruik is, waardoor beide merkdepots te kwader trouw zijn. De ex parte beschikking dient te worden herzien. In het ex parte verzoek is een eenzijdig beeld geschetst. SSH wordt tevens veroordeeld tot rectificatie van diverse uitlatingen op social media (o.a. zelfverrijking en oplichting).

 

Het gaat mij vooral om het gebruik van het zware juridisch instrumentarium, het ex parte verzoek, waarbij zonder dat er een zitting aan te pas komt de rechter een onmiddellijk verbod kan uitspreken. Het ex parte verzoek is bedoeld voor gevallen waarin langer wachten niet mogelijk is en tot onherstelbare schade lijdt. Er is dan geen tijd voor hoor en wederhoor. Daarvan is hier mijns inziens geen sprake. Het gaat hier om een geschil tussen twee partijen twee partijen die elkaar goed kennen en ik zie niet zo goed welke onherstelbare schade er voor de merkhouder dreigt te ontstaan. Het is dan naar mijn mening niet gepast om eenzijdig de rechter te benaderen, in een poging om een vergaand verbod te krijgen en zo het geschil in eigen voordeel om te buigen zonder inhoudelijke beoordeling van het verweer. In kort geding kan herziening worden toegewezen wanneer de feiten onvoldoende aannemelijk blijken te zijn. Dat is het herstelmechanisme, maar dan is het conflict inmiddels al enorm uit de hand gelopen, zoals in deze zaak.

Deze zaak ging in eerste instantie niet om merkenrecht, maar het betrof meer de vraag in hoeverre SSH de leiding had over Ventoux3. Bij een dergelijk conflict is er geen ex parte verzoek mogelijk. Het merkenrecht is hier gebruikt/misbruikt om een snelle klap uit te brengen aan de tegenpartij.

 

Wat ik overigens mis, is de proceskosten veroordeling. Het ging in het kort geding deels om handhaving van IE rechten, waarbij de partij die in het ongelijk is gesteld in de volledige kosten kan worden veroordeeld, maar dan moet dat wel worden gevorderd. Zo is al met al weinig strafport op het mijns inziens veel te harde optreden van SSH.

 

Ik vrees dat veel van het inschrijvingsgeld dat voor het goede doel was bestemd nu is opgegaan aan advocaatkosten. Tijd om een rondje te gaan fietsen.

De uitspraak van de Rechtbank Den Haag kan je hier lezen.

Winstafdracht na inbreuk

SjopspelOp 14 november 2014 heeft Hoge Raad uitspraak gedaan in de slepende zaak over het “Sjopspel”. In haar noot in BIE van februari 2015 vat Mr Deurvorst samen hoe de jarenlang spelende kwestie is verlopen. Tot driemaal toe naar de Hoge Raad. Nadat eerst is vastgesteld dat er sprake is van een inbreuk, gaat het uiteindelijk om de vraag op welk bedrag De Vries aanspraak kan maken. De administratie van Super de Boer was kennelijk niet meer compleet voorhanden en de accountants konden de cijfers niet meer vaststellen. Heel toevallig allemaal en de rechter kan daar conclusies uit trekken. Dit leidt er echter niet toe dat de maximaal behaalde winst in aanmerking moet worden genomen. Wel kan de rechter op grond van 21 Rv dit in het nadeel van de inbreukmaker uitleggen. Welke methode voor berekening van de winst moet worden gebruikt, staat niet vast. Dit moet per zaak worden beoordeeld, afhankelijk van de mate van opzet bij de inbreuk. De rechter heeft een grote mate van vrijheid. Mr Deurvorst geeft aan dat dit leidt tot grote onzekerheid in de praktijk. Wanneer jaren procederen nodig zijn om uiteindelijk een schadevergoeding vast te stellen, dat heeft dat ook negatieve implicaties voor de waarde van intellectuele eigendomsrechten.

BELASTINGEN LIVE MUZIEK

De inkomsten uit verkoop van geluidsdragers, downloads en streams zijn zodanig gekelderd dat de meeste beroepsmuzikanten het moeten hebben van inkomsten uit live optredens, buma en lesgeven. Om live muziek te stimuleren is in Texas het plan gerezen om optredens fiscaal aantrekkelijker te maken voor zaalhouders. Het zou een verademing zijn als het ook in Nederland wat eenvoudiger en aantrekkelijker zou worden. Het lijkt mij echt iets voor Buma Cultuur om zich hier sterk voor te maken.

ONRECHTMATIGE CARTOON

Cartoon Hiddema1

Sommige strafrechtadvocaten zijn nogal gretig wanneer het gaat om aandacht in de media. Een cartoonist van het blad Ster heeft een cartoon gemaakt van waarin advocaat Mr X wordt afgebeeld met de tekst “Aangifte tegen louche advocaat” en de tekstballon “Ik ben geen homo”. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg heeft rectificatie toegewezen in zijn vonnis van 31 oktober 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:9244.

 

De rechter overweegt dat de vrijheid van meningsuiting niet onbeperkt is. De advocaat was beticht van omkoping, wat hij heeft betwist. Er is volgens de rechter onvoldoende aanleiding om het waardeoordeel “louche” uit te spreken. Ook het advies van de advocaat aan welgestelden om een pistool te kopen om zich te beschermen ten Oost-Europese bendes, is onvoldoend voor het gebruik van het woord “louche”. De rechter concludeert dat de cartoon niet beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting en derhalve als onrechtmatig moet worden beschouwd.

 

Wat mij nog het meest opvalt in het vonnis is dat de rechter probeert in te vullen hoe het publiek de cartoon zal uitleggen: “In het algemeen moet een cartoon zo worden geïnterpreteerd zoals deze door een gemiddelde lezer in redelijkheid kan worden uitgelegd. Naar zijn aard zal een cartoon niet lang worden bestudeerd door een gemiddelde lezer. Een tekenaar mag dan ook niet verwachten dan een lezer zich uitgebreid gaat verdiepen in de (mogelijk) dieper betekenis daarvan. Een lezer zal de cartoon in het algemeen interpreteren op basis van een eenmalige en vluchtige kennisname. Dat een lezer wegens het ontbreken van achtergrondinformatie of een context tot een andere, maar redelijke, uitleg van de cartoon komt dan door de cartoonist bedoeld, komt in een dergelijk geval voor rekening van de cartoonist.”

 

Laten we hopen dat dit zo snel mogelijk wordt rechtgezet in hoger beroep. Kenmerk van kunst is nu juist dat die niet voor een enkele uitleg vatbaar is, maar dat je er op verschillende manieren naar kan kijken. Dat de rechter gaat bepalen hoe het publiek een cartoon moet uitleggen lijkt mij niet juist. Charlie Hebdo had dan al jaren geleden haar deuren kunnen sluiten.

 

DOODSBEDREIGING IN RAP TEKST

Hozny index

De Rechtbank Den Haag heeft een veroordeling van 80 uur dienstverlening en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd aan rapper Hozny. In de tekst van de rap die op YouTube was gezet, werd Wilders met de dood bedreigd en waren op het eind schoten te horen. Vanzelfsprekend is de vrijheid van meningsuiting niet onbegrensd, maar de tekst moet mijns inziens wel worden beoordeeld in de context.

Bij hip-hop/R&B wordt in de tekst van raps vaak sterk overdreven. Vaak zijn de teksten agressief. Al sinds de eerste albums van de Wu Tang Clan zijn er geweerschoten en blaffende honden te horen. Maar die bijten niet. Om de tekst van een rap te beoordelen, zou de tekst mijns inziens moeten worden gezien in de context van de muziekstijl. Net zoals bij een reclameboodschap de consument wel weet dat die rimpels heus niet allemaal als sneeuw voor de zon verdwijnen, zo zal het publiek ook de tekst van raps niet letterlijk voor waar aannemen. Overdrijving is nu eenmaal inherent aan reclame en ik meen dat hetzelfde kan worden gezegd van raps.

In het vonnis betrekt de Rechtsbank Den Haag dit niet in haar overwegingen. De rechtbank haalt wel aan dat Hozny een beroep heeft gedaan op zijn artistieke vrijheid. Uit het vonnis:

De verdachte heeft ook gesteld dat hij in de rap met zoveel woorden heeft aangegeven: “Dit is geen bedreiging of een poging tot je dood”, waardoor, aldus verdachte, bij Wilders niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De rechtbank kan verdachte ook hierin niet volgen. De door verdachte in dit verband aangehaalde zin wordt immers direct gevolgd door de zin “maar spotten met geloof dan vraag je toch om moord” en (even later) de zin “Geertje de islam is 2,1 miljard, DKDB helpt niet, als ze jou komen halen.”. Hiermee wordt onmiskenbaar de suggestie gewekt dat Wilders vanwege zijn uitspraken over de Islam, ondanks de voortdurende strenge bescherming van persoonsbeveiligers, zal (kunnen) worden vermoord door één of meer van de 2,1 miljard moslims in de wereld. Indien verdachte heeft bedoeld te stellen Wilders hiervoor te hebben willen waarschuwen, overweegt de rechtbank dat een waarschuwing ook (of zelfs juist) een bedreigende boodschap kan bevatten.

Verdachte heeft nog aangevoerd dat hij de rap heeft gebruikt om op artistieke wijze uiting te geven aan zijn opvattingen. Indien verdachte bedoeld heeft zich hiermee te beroepen op de hem toekomende vrijheid van meningsuiting, welke ruimer zou zijn als het gaat om uitingen van kunst, faalt ook dit verweer. De vrijheid van meningsuiting vormt geen schuilplaats voor degene die een ander met de dood bedreigt, ook niet als dit op een meer of minder artistieke wijze gebeurt.

Ik ben benieuwd naar de uitkomst van het hoger beroep

VERGELIJKENDE RECLAME ZONDER NAAM CONCURRENT TE NOEMEN

maxi cosy images

Ook al noem je de naam van de concurrent niet, toch kan er sprake zijn van vergelijkende reclame. Maxi Cosy is daarvoor op de vingers getikt door de Rechtbank Oost-Brabant (Voorzieningenrechter Rb Oost Brabant 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6281).

In haar nieuwsbrief had Maxi Cosy uitgelegd waarom zij kiest voor zitjes met een 5-puntsgordel. Daarnaast had zij op haar eigen website een samenvatting geplaatst, waarbij werd uitgelegd waarom een 5-puntsgordel beter is. De grootste concurrent van Maxi Cosy, die juist handelt in kinderzitjes met een ander systeem, was daar niet blij mee. Ook al wordt haar bedrijfsnaam Cybex niet met name genoemd, toch is te herleiden dat er een vergelijking wordt gemaakt met haar producten, zo oordeelt de Voorzieningenrechter.

Het begrip reclame wordt meestal heel breed uitgelegd. Er is al snel sprake van reclame. Vergelijkende reclame mag, maar dan wel binnen de grenzen die de wet stelt. Wanneer je claimt dat een product beter is, dan moet daar ook een objectieve onderbouwing voor zijn.

De nieuwsbrief van Maxi Cosy werd alleen onder retailers verspreid en niet aan het algemene publiek. De rechter oordeelde dat de Nieuwsbrief daarom geen reclame is, en dus ook geen onrechtmatige vergelijkende reclame kan zijn. Om dezelfde reden is de nieuwsbrief geen misleidende mededeling.

Anders loopt het af voor de mededeling op de website. Die is immers wel gericht op het algemene publiek. Maxi Cosy heeft haar superioriteitsclaim niet controleerbaar en objectief onderbouwd, en moet het bericht van haar website halen op straffe van een dwangsom. Ook moet Maxi Cosy rectificeren door 30 dagen een bericht op haar website te plaatsen waarin wordt uitgelegd dat er geen bewijs is dat een 5-puntsgordel beter is. Dat is natuurlijk schadelijk voor de online marketing inspanningen.