DOODSBEDREIGING IN RAP TEKST

Hozny index

De Rechtbank Den Haag heeft een veroordeling van 80 uur dienstverlening en twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd aan rapper Hozny. In de tekst van de rap die op YouTube was gezet, werd Wilders met de dood bedreigd en waren op het eind schoten te horen. Vanzelfsprekend is de vrijheid van meningsuiting niet onbegrensd, maar de tekst moet mijns inziens wel worden beoordeeld in de context.

Bij hip-hop/R&B wordt in de tekst van raps vaak sterk overdreven. Vaak zijn de teksten agressief. Al sinds de eerste albums van de Wu Tang Clan zijn er geweerschoten en blaffende honden te horen. Maar die bijten niet. Om de tekst van een rap te beoordelen, zou de tekst mijns inziens moeten worden gezien in de context van de muziekstijl. Net zoals bij een reclameboodschap de consument wel weet dat die rimpels heus niet allemaal als sneeuw voor de zon verdwijnen, zo zal het publiek ook de tekst van raps niet letterlijk voor waar aannemen. Overdrijving is nu eenmaal inherent aan reclame en ik meen dat hetzelfde kan worden gezegd van raps.

In het vonnis betrekt de Rechtsbank Den Haag dit niet in haar overwegingen. De rechtbank haalt wel aan dat Hozny een beroep heeft gedaan op zijn artistieke vrijheid. Uit het vonnis:

De verdachte heeft ook gesteld dat hij in de rap met zoveel woorden heeft aangegeven: “Dit is geen bedreiging of een poging tot je dood”, waardoor, aldus verdachte, bij Wilders niet in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De rechtbank kan verdachte ook hierin niet volgen. De door verdachte in dit verband aangehaalde zin wordt immers direct gevolgd door de zin “maar spotten met geloof dan vraag je toch om moord” en (even later) de zin “Geertje de islam is 2,1 miljard, DKDB helpt niet, als ze jou komen halen.”. Hiermee wordt onmiskenbaar de suggestie gewekt dat Wilders vanwege zijn uitspraken over de Islam, ondanks de voortdurende strenge bescherming van persoonsbeveiligers, zal (kunnen) worden vermoord door één of meer van de 2,1 miljard moslims in de wereld. Indien verdachte heeft bedoeld te stellen Wilders hiervoor te hebben willen waarschuwen, overweegt de rechtbank dat een waarschuwing ook (of zelfs juist) een bedreigende boodschap kan bevatten.

Verdachte heeft nog aangevoerd dat hij de rap heeft gebruikt om op artistieke wijze uiting te geven aan zijn opvattingen. Indien verdachte bedoeld heeft zich hiermee te beroepen op de hem toekomende vrijheid van meningsuiting, welke ruimer zou zijn als het gaat om uitingen van kunst, faalt ook dit verweer. De vrijheid van meningsuiting vormt geen schuilplaats voor degene die een ander met de dood bedreigt, ook niet als dit op een meer of minder artistieke wijze gebeurt.

Ik ben benieuwd naar de uitkomst van het hoger beroep

VERGELIJKENDE RECLAME ZONDER NAAM CONCURRENT TE NOEMEN

maxi cosy images

Ook al noem je de naam van de concurrent niet, toch kan er sprake zijn van vergelijkende reclame. Maxi Cosy is daarvoor op de vingers getikt door de Rechtbank Oost-Brabant (Voorzieningenrechter Rb Oost Brabant 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6281).

In haar nieuwsbrief had Maxi Cosy uitgelegd waarom zij kiest voor zitjes met een 5-puntsgordel. Daarnaast had zij op haar eigen website een samenvatting geplaatst, waarbij werd uitgelegd waarom een 5-puntsgordel beter is. De grootste concurrent van Maxi Cosy, die juist handelt in kinderzitjes met een ander systeem, was daar niet blij mee. Ook al wordt haar bedrijfsnaam Cybex niet met name genoemd, toch is te herleiden dat er een vergelijking wordt gemaakt met haar producten, zo oordeelt de Voorzieningenrechter.

Het begrip reclame wordt meestal heel breed uitgelegd. Er is al snel sprake van reclame. Vergelijkende reclame mag, maar dan wel binnen de grenzen die de wet stelt. Wanneer je claimt dat een product beter is, dan moet daar ook een objectieve onderbouwing voor zijn.

De nieuwsbrief van Maxi Cosy werd alleen onder retailers verspreid en niet aan het algemene publiek. De rechter oordeelde dat de Nieuwsbrief daarom geen reclame is, en dus ook geen onrechtmatige vergelijkende reclame kan zijn. Om dezelfde reden is de nieuwsbrief geen misleidende mededeling.

Anders loopt het af voor de mededeling op de website. Die is immers wel gericht op het algemene publiek. Maxi Cosy heeft haar superioriteitsclaim niet controleerbaar en objectief onderbouwd, en moet het bericht van haar website halen op straffe van een dwangsom. Ook moet Maxi Cosy rectificeren door 30 dagen een bericht op haar website te plaatsen waarin wordt uitgelegd dat er geen bewijs is dat een 5-puntsgordel beter is. Dat is natuurlijk schadelijk voor de online marketing inspanningen.

Handelsnaam online perikelen

browser images

Zonder meer sneu is het wanneer een familiebedrijf waarin broers samenwerken uit elkaar valt, en vervolgens de beide broers zelfstandig verder gaan en ruzie krijgen over de handelsnamen.

 

De Rechtbank Overijssel oordeelde op 28 oktober 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:5698) dat de iets eerdere inschrijving van de handelsnaam in het Handelsregister niet relevant is. Het gebruik van de naam wordt beschermd. De registratie creëert op zichzelf geen rechten.

 

Opvallend is dat de rechter een verbod uitspreekt tegen gedaagde om een handelsnaam die gelijk is aan of overeenstemt met een hele rits handelsnamen waarin de achternaam van de broers voorkomen al dan niet in combinatie met het woord bulldozer en/of verhuur. Ik vraag me af of de eiser inderdaad al deze handelsnamen heeft gebruikt en in welke mate bekendheid is verkregen met al deze verschillende handelsnamen. Kennelijk stond dat voor de rechtbank niet in de weg aan het opleggen van een verbod.

 

Ook valt op dat gedaagde een verbod wordt opgelegd om de handelsnaam als domeinnaam te gebruiken, en op internet en in social media, op straffe van een dwangsom van € 5.000 met een maximum van € 100.000. Dat is vragen om moeilijkheden, zo is mijn ervaring.

 

Je kan onmogelijk binnen 7 dagen het hele internet schoonvegen. Op diverse websites zal de handelsnaam van gedaagde, die hij niet meer mag gebruiken, nog wel vermeld staan. De eiser zal dan al snel stellen dat het gebruik op internet niet is gestaakt, en de dwangsom opeisen. Dat gaat hard, iedere dag kassa.

 

Gebruik op social media is al helemaal moeilijk. Wanneer iemand reageert op een bericht op Facebook waar de handelsnaam in voorkomt, of een bericht deelt, wordt dan de dwangsom verbeurd? Die onduidelijkheid leidt al snel tot executiegeschillen.

Gratis mobieltje is koop op afbetaling

mobiele-telefoon-kopen

In Contracteren 2014 nr 3 is een artikel verschenen van mr J.H.M. Spanjaard over gratis mobieltjes, de problematiek die aan de orde is in HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385 (KPN/X). Bij het afsluiten van een abonnement wordt vaak een gratis mobiele telefoon ter beschikking gesteld. De Hoge Raad kijkt door de constructive heen. Een dergelijke overeenkomst kwalificeert als koop op afbetaling of consumentenkrediet.

 

Dat heeft tot gevolg dat diverse wettelijke regelingen van toepassing zijn, met potentieel verstrekkende gevolgen. De transactie komt niet tot stand indien de prijs van de telefoon niet wordt genoemd, artikel 7A:1576 lid 2 BW. De aanbieder moet een vergunning hebben op grond van art 2:60 WFT. Wanneer het abonnement met het gratis mobieltje niet in de winkel wordt afgesloten zijn ook nog eens de regels voor koop op afstand van toepassing, en kan de echtgenote die niet instemt de transactie vernietigen.

 

De cijfers maken duidelijk waarom hier de (vaak jeugdige) consument hier moet worden beschermd. Een abonnement kost ongeveer € 50 per maand en wordt doorgaan afgesloten voor twee jaar. Dat is totaal € 1.200. De “gratis” telefoon kost ongeveer € 500.

Wat is een parodie ?

In HvJ 3 september 2014 C-201/13 is de vraag aan de orde wat een parodie is. Het ging in die zaak om een kalende van Vlaams Belang, waarbij op de voorkant een afbeelding was geplaatst die lijkt op de voorkant van Suske en Wiske De Wilde Weldoener.

Kalender Vlaams Belang

De Wilde Weldoener

Op deze afbeelding is de burgemeester van Antwerpen afgebeeld in plaats van Lambik, en de personen die de muntstukken oprapen zijn vervangen door gesluierde en gekleurde figuren. De erven van Willy Vandersteen zijn not amused en vorderen een verbod bij de rechter.

Is dit een geldige parodie ? In hoger beroep stelt het Belgische Hof prejudiciele vragen aan de het Europese Hof van Justitie die ten eerste vast stelt dat parodie een geharmoniseerd begrip is, en dat de uitleg niet van land tot land dient te verschillen in Europa.
De Belgische rechter had criteria genoemd waaraan een parodie zou moeten voldoen, maar die worden van tafel geveegd door het Europese Hof. Het gaat om het vinden van een evenwicht tussen de belangen van de auteurs en de vrijheid van meningsuiting, en daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Met name speelt een rol dat het discriminerende karakter van de parodie mogelijk uitstraalt naar het origineel, terwijl de auteursrechthebbenden daarmee niet geassocieerd willen worden.

De rechter zal de belangen van de (erven van) de auteur moeten afwegen tegen de vrijheid van meningsuiting, die – in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht – niet onbeperkt is.

HERKENNINGSGRAAD KLEURMERK

Al herhaaldelijk is de vraag aan de orde geweest of een kleur een merk kan zijn. Orange heeft daarover geprocedeerd. We weten inmiddels dat een kleur van huis uit geen onderscheidend vermogen heeft. Wel kan een kleur onderscheidend vermogen krijgen door inburgering. In HvJ 19 juni 2014, C-217/13 en C-218/13, IEF 13958 (Oberbank, Santander/Deutsche Sparkasse) gaat het om de kleur rood:

logo

logo_SAN

oberbbank_logo

Rood is kennelijk een gewilde kleur voor een bank. De Deutsch Sparkasse heeft in 2002 gepoogd om de kleur als merk te laten inschrijven, maar het merk werd geweigerd omdat het geen onderscheidend vermogen had. Daartegen is Deutsche Sparkasse in beroep gegaan. Uiteindelijk, jaren later want zo gaat dat, is de zaak onder de Duitse rechter en kan Deutsche Sparkasse met een opinieonderzoek aantonen dat 70% van het publiek de kleur herkent. Is dat genoeg voor inburgering? En op welk moment moet inburgering eigenlijk aangetoond worden, bij aanvraag van het merk, of kan het ook daarna nog? En wie heeft de bewijslast ? Die vragen zijn door de Duitse rechter voorgelegd aan het Europese Hof.

 

Het HvJ oordeelt dat 70% op zichzelf niet genoeg is. De beoordeling hangt namelijk af van vele factoren, zoals marktaandeel, intensiteit, spreiding, duur, reclamebudget etc. Een enkel getal als inburgeringsgraad volstaat niet. Inburgering van het kleurmerk moet worden aangetoond op het moment van inschrijving door de aanvrager van het merk.

 

Helaas dus geen duidelijkheid aan de hand van een percentage, wat voor de praktijk handig zou zijn om meer rechtszekerheid te krijgen. De bewijslast rust op de aanvrager . Deutsche Bank had dus moeten aantonen in 2002 dat het merk was ingeburgerd, maar kon dat niet omdat het onderzoeksrapport van latere datum was. De andere banken werden niet belast met het bewijs dat er geen inburgering was op het moment van de aanvraag. Het opinieonderzoek met sprekende resultaten is dus geen aanleiding om de bewijslast om te draaien.

Artiestenverloning.nl vs Artiestenverloningen.nl

Op 6 mei 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam arrest gewezen in deze zaak die zich nu al geruime tijd voortsleept. De voorzieningenrechter had op 15 september 2011 in kort geding een verbod opgelegd tegen het gebruik van de jongere domeinnaam artiestenverloning.nl van het bureau Prae Artiestenverloning. Vervolgens is een bodemprocedure gestart bij de rechtbank. Tegen het vonnis van de rechtbank heeft Prae hoger beroep ingesteld.

 

De crux is dat op de website artiestenverloning.nl duidelijk gebruik wordt gemaakt van de handelsnaam Prae. Het gebruik van de domeinnaam artiestenverloning.nl kwalificeert niet als handelsnaamgebruik, namelijk het gebruik van een naam ter onderscheiding van de onderneming. Nu het geen handelsnaamgebruik is, wordt ook geen inbreuk gemaakt op de handelsnaamrechten van artiestenverloningen.nl. Het gebruik van de domeinnaam wordt niet onrechtmatig geoordeeld wegens verwarringsgevaar. Het Gerechtshof komt daarmee tot een andere uitkomst dan de Rechtbank in eerste aanleg, en wijst de vorderingen alsnog af.

 

In zijn noot in BIE 2014, 40 stelt Mr Haak mijns inziens terecht aan de orde dat het gebruik van de domeinnaam, die ook in de email communicatie wordt gebruikt, als teken ter identificatie wordt gebruikt en daarmee kwalificeert als handelsnaam waaronder de onderneming wordt gevoerd.

 

Hoe dan ook, na drie jaar procederen lijkt deze zaak alleen maar verliezers te hebben.

 

VERWIJDEREN ZOEKRESULTATEN

Er worden momenteel enorm veel verzoeken ingediend bij Google om hyperlinks te verwijderen uit zoekresultaten. Volgens Torrentfreak zou het zelfs gaan om 1 miljoen per dag. Het is duidelijk dat dit een hot issue is.

WETSWIJZIGINGEN VOOR WEBSHOPS – LEVERING DIGITALE INHOUD

Bij wet van 12 maart 2014 is Richtlijn Consumentenrechten van 25 oktober 2011 (Rl 2011/83/EU) geïmplementeerd in het BW. De wet geeft verdere rechten aan consumenten bij koop op afstand, zoals bijvoorbeeld de koop via een webshop, en geeft verdere verplichtingen aan verkopers, waaronder met name informatieverplichtingen.

 

Aan consumenten wordt nu 14 dagen herroepingsrecht gegeven bij koop op afstand en koop buiten een verkoopruimte. Dat was voorheen 7 dagen.

 

Art 7:46a-j BW komen te vervallen (koop op afstand). Nieuw is afdeling 6.5.2b (art 6:230 g-z BW) voor overeenkomsten met consumenten. Risico omslag is gewijzigd (art 7:19 BW), en er is een nieuwe verzuim regeling (art 7:19a BW). Algemene voorwaarden moeten worden aangepast, o.a. in verband met informatieverplichting over klachtenafhandeling.

 

Nieuw is verder de bevoegdheid tot vernietiging bij oneerlijke handelspraktijken, art 6:193a lid 3 BW. Nu kan de consument dus niet alleen aanspraak maken op schadevergoeding, maar ook de overeenkomst op eenvoudige wijze vernietigen.

 

Er zijn nieuwe regels voor het begrip “digitale inhoud”, dat zijn gegevens die op digitale wijze worden geproduceerd en geleverd, zoals computerprogrammatuur, games, muziek en video’s. Er worden voor digitale inhoud aanvullende informatieverplichtingen in het leven geroepen over functionaliteit en beveiligingsvoorzieningen, en er komt een specifiek herroepingsrecht. Dit geldt echter alleen voor digitale inhoud op een drager (!).

 

eBooks

Tweede hands software, tweede hands iTunes bestanden, en nu ook tweede hands eBooks. Het lijkt een niet te stuiten ontwikkeling.

 

Eerst hadden we de verkoop van tweede hands software in het UsedSoft-arrest van het HvJEU. Kortweg: (bepaalde) software licenties kunnen tweede hands worden doorverkocht. In de V.S. is geoordeeld dat de handel in tweede hands iTunes bestanden niet door de beugel kan (Columbia/Redigi-zaak). In Nederland staat nu de deur open voor handel in tweede hands eBooks.

 

In het kort geding Vzgr Rb Amsterdam 21 juli 2014 ECLI:NL:RBAMS:2014:4360 (NUV/Tom Kabinet) is het gevorderde verbod op verkoop van tweede hands eBooks afgewezen. Daarbij wordt zwaar geleund op het UsedSoft-arrest. Er zijn deels verschillende juridische regimes van toepassing op software en eBooks. Ook is het systeem van Tom Kabinet, die tweede hands eBooks aanbiedt, niet hetzelfde als dat van UsedSoft. Niettemin acht de Voorzieningenrechter deze verschillen niet doorslaggend.

 

In r.o. 4.10 overweegt de rechter niet valt uit te sluiten dat het UsedSoft-arrest een ruimere strekking heeft en zich niet beperkt tot de verhandeling van software. Het standpunt van Tom Kabinet wordt verdedigbaar geacht, en het gevorderde verbod wordt geweigerd.

 

Recent is een artikel verschenen in IER waarin de Redigi-zaak over handel in tweede hands iTunes bestanden wordt geanalyseerd naar Nederlands recht. Het is een fascinerende ontwikkeling, en mijns inziens is het niet te vraag of, maar wanneer het licht ook daarvoor op groen gaat.